Vitaliteitsregeling komt eraan !
De vitaliteitsreegeling start vanaf 2013 en vervangt de spaarloon- en levensloopregeling. De regeling is opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001. Daardoor is het ook voor ondernemers mogelijk om deel te nemen.
Het kabinet stelt voor om vanaf 2013 een nieuwe spaarfaciliteit in te voeren, het vitaliteitssparen. Met de regeling wil het kabinet werknemers de mogelijkheid geven hun loopbaan zelf vorm te geven.
Het vitaliteitssparen kan, net als bij de levensloopregeling, in de volgende drie vormen plaatsvinden:
- de spaarrekening
- de spaarverzekering
- het spaarrecht van deelneming
De toegelaten aanbieders zijn dezelfde als die van de levensloopregeling.
De stortingen zijn fiscaal aftrekbaar in box 1. Dit houdt in dat de inleg wordt gedaan met netto geld/loon. Anders dan bij de spaarloon- en levensloopregeling waar de inleg wordt gedaan met bruto geld/loon. Voordeel is dat nu ook ondernemers aan de regeling kunnen deelnemen. Het is een fiscale tegemoetkoming voor belastingplichtigen die actief deelnemen aan het arbeidsproces. Aftrek is alleen mogelijk als iemand winst uit onderneming, loon of een resultaat uit werkzaamheden heeft. Bovendien mag degene aan het begin van het belastingjaar nog geen 65 jaar zijn. Het opgebouwde tegoed hoort niet tot de bezittingen voor de bepaling van de rendementsheffing in box 3.
Het maximaal fiscaal vriendelijk op te bouwen vermogen bedraagt 20.000 euro (bruto). Jaarlijks mag de belastingplichtige echter maximaal 5.000 euro inleggen. Stort de deelnemer meer, dan geldt niet de saldomethode voor dat meerdere bij de latere uitkeringen. Bedraagt het saldo van de vitaliteitsregeling aan het begin van het kalenderjaar al 20.000 euro, dan is geen inleg mogelijk. Voor de opname van de ingelegde gelden zijn geen beperkingen opgenomen. De deelnemer kan tot en met 61 jaar in één jaar het hele bedrag van 20.000 euro opnemen. Na opname kan de werknemer het jaar daarna weer opnieuw starten met de opbouw van 20.000 euro door maximaal 5.000 euro te storten. De in de regeling gegeven maximale bedragen worden jaarlijks aangepast aan de inflatie. Als een deelnemer een uitkering uit het saldo wil ontvangen, is de uitvoerder van de regeling inhoudingsplichtige voor deze uitkeringen.
Vanaf het jaar dat de deelnemer op 1 januari 62 jaar is, mag nog maximaal 10.000 euro per jaar worden opgenomen. Neemt de deelnemer toch meer op, dan wordt het hele saldo van het vitaliteitssparen ineens belast. Hiermee wil het kabinet het deeltijdpensioen bevorderen en het voltijd pensioen beperken. Het tegoed moet de werknemer uiterlijk vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd opnemen. Deze leeftijd wordt aangepast aan de geldende AOW-leeftijd. Dus als de AOW-leeftijd naar 66 jaar gaat, wordt ook de uiterste opname leeftijd voor het vitaliteitssparen verhoogd naar 66 jaar.
Voor het vitaliteitssparen is een schriftelijke overeenkomst tussen de belastingplichtige en de toegelaten aanbieder nodig. Het saldo van het vitaliteitssparen kan alleen toekomen aan degene die de bedragen heeft ingelegd. Als de regeling niet meer voldoet aan de voorwaarden, wordt het hele saldo ineens belast bij degene die de bedragen heeft ingelegd. Ook als die persoon overlijdt, vindt belastingheffing bij hem/haar plaats. Na inhouding van de belasting ontvangen de nabestaanden het restantsaldo.
De rendementen die de deelnemer op de vitaliteitsrekening/verzekering/deelneming haalt, moeten daarop worden bijgeschreven. Deze mogen dus niet tussentijds worden uitgekeerd aan de deelnemer. Gebeurt dit wel dan is het hele saldo van het vitaliteitssparen ineens belast. Ook bij het vitaliteitssparen is het mogelijk om gespaarde bedragen/kapitaal fiscaal geruisloos over te brengen naar een andere uitvoerder.
